print

Ontzegging van het recht op omgang

In principe heeft elke ouder recht op omgang met zijn kinderen. Maar in uitzonderlijke situaties kan de rechter in belang van het kind bepalen dat een ouder geen omgang met zijn kinderen mag hebben. Een ontzegging van het recht op omgang kan alleen plaatsvinden op verzoek van een van de ouders. De rechter zal een dergelijk verzoek alleen toewijzen als zich een van de volgende drie situaties voordoet:

1. De omgang zou ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind.

Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een van beide ouders of beide ouders de kinderen gebruiken in de tussen hen beiden bestaande strijd. Ook kan de geestelijke ontwikkeling van een kind in gevaar komen als de ouders zich tegenover het kind voortdurend negatief over de andere ouder uitlaten.

Het feit dat de ene ouder weerstand heeft tegen de omgang van het kind met de andere ouder is onvoldoende aanleiding voor een rechter om op grond hiervan de niet-verzorgende ouder omgang te ontzeggen. Het moet kort samengevat dus wel om een ernstige situatie gaan.

2. De ene ouder is kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat tot omgang.

Dit scenario heeft betrekking op de persoon van de omgangsgerechtigde ouder. Als hij zich op een ernstig negatieve wijze gedraagt kan de rechter, op verzoek van de andere ouder, besluiten dat hem het recht op omgang ontzegd wordt.

Voorbeelden van deze situatie zijn:

  • De ouder heeft omgang met zijn kind onder invloed van alcohol of drugs.
  • Het kind wordt meegenomen naar voor hem ongeschikte en/of kindonvriendelijke plaatsen.
  • De ouder is gewelddadig tegenover het kind (geweest) of heeft hem of haar misbruikt.
  • De ouder dreigt met ontvoering van het kind.
  • De ouder houdt zich structureel niet aan de overeengekomen of opgelegde omgangsregeling.
  • De ouder laat zich voortdurend negatief uit over de andere ouder.


3. Het kind heeft zelf ernstige bezwaren tegen de omgang.

Op zich kan een minderjarig kind niet zelf bepalen of het omgang wil met de niet-verzorgende ouder. Maar hoe ouder het kind wordt, hoe moeilijker het is om een kind dwingend omgang te laten hebben met een van zijn ouders.

Om die reden wordt een kind van twaalf jaar of ouder door de rechter naar zijn mening gevraagd bij een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. Het is niet zo dat een rechter een ouder zo maar een omgangsregeling zal ontzeggen als een kind aangeeft daar niets voor te voelen. Er moeten ernstige bezwaren zijn. Of dit het geval is zal een rechter van geval tot geval moeten toetsen.

Naast deze drie situaties is er in de wet ook nog een restcategorie opgenomen, namelijk als de omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Het is duidelijk dat een rechter niet snel tot de conclusie zal komen dat een ouder geen recht meer heeft op omgang met zijn kind. Alleen in de uitzonderingssituaties zoals hierboven beschreven zal een verzoek tot ontzegging van de omgang gehonoreerd worden.

Advies of hulp

Wilt u advies of hulp? Neem dan telefonisch contact op met de Scheidingslijn op 0900 - 0307 (5 cpm).    

« Terug naar overzicht artikelen