print

Wettelijke onderhoudsverplichting jegens (stief)kinderen voorrang op morele onderhoudsverplichting

news visual

04-06-2014

In de wet is geregeld dat echtgenoten en geregistreerde partners een onderhoudsplicht hebben ten opzichte van elkaar, dat ouders hun kinderen tot ze 21 jaar zijn moeten onderhouden en dat ex-partners een onderhoudsplicht naar elkaar hebben als één van hen te weinig inkomen heeft om van te leven. Bij een scheiding bepaalt een rechter welk bedrag de alimentatieplichtige kan missen (draagkracht).

Bij beschikking van 25 november 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1558) oordeelde de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het alimentatiebedrag rekening moet worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de alimentatieplichtige ouder komen. Onder redelijke uitgaven konden ook de uitgaven van een nieuw gezin gerekend worden, ongeacht of de nieuwe gezinssituatie formeel is vastgelegd in een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Dit impliceerde dat ook met niet-wettelijke onderhoudsverplichtingen, zoals morele of afgesproken verplichtingen naar het nieuwe gezin, rekening gehouden kon worden bij het vaststellen van het alimentatiebedrag.

In maart 2009 wijzigde art. 1:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De wijziging hield in dat de onderhoudsverplichting jegens eigen (minderjarige) kinderen en stiefkinderen voorrang zou krijgen boven andere (niet-wettelijke) onderhoudsverplichtingen. Anders gezegd, bij onvoldoende vermogen om bij te dragen in de kosten krijgen eigen kinderen voorrang.

Maar, hoe zit het dan met die voorrangsregeling als een ouder wel in een nieuw gezinsverband leeft, maar niet getrouwd is of als partner geregistreerd staat? Gaat de wettelijke onderhoudsverplichting dan voor of de morele onderhoudsverplichting? Vóór de invoering van art. 1:400 BW was het toch mogelijk om bij de vaststelling van de draagkracht rekening te houden met een morele onderhoudsverplichting?

De vraag werd voorgelegd aan de rechtbank, toen een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie werd gedaan. De situatie was als volgt: ex-partners hebben twee kinderen, zij wonen bij de moeder en de moeder heeft het ouderlijk gezag. Moeder wenst een hogere kinderbijdrage. Vader voert aan dat deze verhoging niet haalbaar is. Hij woont met zijn nieuwe partner en haar twee kinderen in gezinsverband samen. Ze zijn niet gehuwd, hebben geen geregistreerd partnerschap, maar vader draagt wel bij in de onderhoudskosten van de nieuwe gezinsleden. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe: er hoeft geen rekening te worden gehouden met de bijdrage in de kosten van de twee kinderen van de nieuwe partner, want de wet verplicht hem niet om deze kinderen te onderhouden. De kinderbijdrage voor zijn eigen kinderen zou dus opnieuw vastgesteld moeten worden en de kosten die vader uit morele overwegingen maakt voor de nieuwe kinderen, worden buiten beschouwing gelaten.

De vader gaat in beroep en voert aan dat er ruimte bestaat om onder bijzondere omstandigheden recht te doen aan de belangen van het kind in het nieuwe gezin, oftewel: de regeling die gold vóór de invoering van art. 1:400 BW. De Hoge Raad verwerpt het beroep en houdt vast aan de eerdere uitspraak. Er is sprake van samenloop van een wettelijke verplichting (kinderen uit eerder huwelijk) en een morele verplichting om levensonderhoud te verstrekken (kinderen van zijn nieuwe partner) en dan geldt de voorrangsregel zoals vastgelegd in art. 1:400 BW.

Bron: ECLI:NL:HR:2014:1066

« Terug naar overzicht artikelen

Auteur:

redactie Scheidingsinformatie.nl